dinsdag 17 augustus 2010

Onder het mes-Deel II

Daar ben ik weer! Alive and kicking! Oké, eigenlijk zonder dat kicking, want dat mag (nog) niet van de dokter. Jullie zitten natuurlijk allemaal te wachten op een gedetailleerd verhaal, dus hier komt het:

Om kwart voor 8 was ik op de kinderafdeling van het Deventer Ziekenhuis. Mét een koffertje met daarin een pyama, tandenborstel, boeken en schone kleren. Op de kinderafdeling kreeg ik een grote kamer voor 2 personen toegewezen, waar geen tweede persoon lag, dus had ik een grote kamer mét badkamertje voor mij alleen! Er kwam een zuster, echt een typische, lieve zuster, die mij allemaal vragen stelde en me vertelde hoe de dag eruit zou zien. Dat was niet echt meer dan dat ik al wist. Vervolgens kreeg ik alvast 2 paracetamollen tegen de pijn na afloop. Toen gaf ze me een ziekenhuispyama die ik aan moest trekken en toen ging ze weg. Nou ja zeg! Ik mocht niet eens mijn eigen pyama aan! Ik zal even uitleggen wat je je bij zo'n pyama moet voorstellen. Het is eigenlijk een soort tent. Je zou erin kunnen kamperen. Het is een groot, wijd, blauw ding dat tot je knieën komt, maar onder de schouders juist wat strakker is, met 3/4 mouwen en met drukknoopjes (die ook aan een romper zitten, ik voelde me diep, diep vernederd) aan de zijkant. Toen voelde ik me pas echt ziek, hoewel er nog niets gebeurd was.
Na eindeloos veel potjes kaarten met mama (die zou blijven) was het eindelijk kwart voor 9, en dus kwam de zuster binnen, om te vertellen dat ze in de operatiekamer klaar waren om me onder handen te nemen. Ik kroop in mijn bed en werd door mijn moeder en zuster over de hele verdieping geduwd, naar de operatiekamers.
In de gang aangekomen waar 'mijn' operatiekamer (nummer 11) zat, werd mijn bed geparkeerd en begon het wachten op de dokters. Ik werd ondertussen al aardig zenuwachtig, en dat werd nog erger toen ik opeens uit een van de operatiekamers een ongelooflijk eng gelach hoorde komen. Ik weet bijna zeker dat het mijn KNO-arts was. Het was echt zo'n lach die je van een vampier verwacht die zijn prooi (in dit geval een klein, 13-jarig meisje in een bed) in zijn greep heeft en op het punt staat haar dood te bijten (deze zin is opgedragen aan Manon). In mijn gedachten zag ik al beelden van dode mensen aan een haak in een vleesfabriek, opengereten, met dokters met een een slagersmes ernaast. Precies op dat moment ging de schuifdeur van operatiekamer 11 open en werd ik naar binnen gereden. Mijn eerste indruk was dat het ongelooflijk klein was en kóud dat het er was! Ik werd door een paar mensen die ik niet goed herkende op een operatietafel gelegd. Omdat ik klappertande van de kou, legden ze een soort dunne, papieren deken over me heen. Ja hoor, dat werkt! De doktoren hadden allemaal een paars-met-wit-geblokt kapje op hun hoofd en groene jassen aan. Eerlijk gezegd was alles daar groen. En als ik ergens een hekel aan heb dan is het wel die kleur GROEN.
Ik herkende mijn KNO-arts en een arts die ik al eens had gehad, maar die herkende ik pas toen ik zijn naambordje zag. De dokters probeerden natuurlijk om mij gerust te stellen, en dat probeerden ze door me vragen te stellen over school en vakantie en dat soort koetjes-en-kalfjes-onderwerpen. Dat zou best gewerkt kunnen hebben, maar ze maakten helaas een gruwelijke fout: ze deden het allemaal door elkaar. Dus ik lag daar op die tafel terwijl boven mijn hoofd de ene arts iets vroeg over mijn vakantie in Groningen, terwijl de andere arts vroeg of ik zenuwachtig was, terwijl weer een andere arts vroeg of ik al naar de brugklas ging (sorry arts, ik ga al naar de 3e...). Dat werkte dus niet zo rustgevend.
Toen begon dat waar ik zo tegenop had gezien: het infuus inbrengen. Gelukkig hadden mijn ouders me al aardig gerust gesteld, door te vertellen dat het niet veel pijn zou doen. Een artsin (een vrouwelijke arts dus) was druk op zoek naar een ader. Maar die vond ze niet. DAT HEB IK WEER! Ze heeft minstens 10 minuten op mijn hand lopen slaan, maar vond niks. Toen sprayde ze een of ander goedje op mijn hand en sloeg nog een paar keer. Eindelijk had ze iets gevonden. Dat vond ik fijn, want mijn hand deed al aardig pijn. ''Zo,'' sprak ze, ''nu gaan we het infuus inbrengen. Je voelt een klein prikje.'' En dat 'prikje' voelde ik. En niet zo'n beetje ook. Het was bruut. Zinloos geweld van de bovenste plank. Sadistisch. Duivels. Kortom, het deed pijn. Veel pijn. Vooral toen ze het ook nog eens vastplakten met tape.
Toen was het moment aangebroken dat ik zou gaan slapen. Ik kreeg een middel toegediend via het infuus. Mijn arm begon te verstenen, mijn hoofd te suizen.
Opeens verscheen er boven mij een hoofd van een oude man met grijze wenkbrauwen. ''Niet bang zijn,'' sprak hij, zo rustgevend dat het op mijn lachspieren werkte, ''Alles komt goed, gewoon rustig slapen, dan kom je er ook weer rustig uit.''
Óf ik er inderdaad rustig uitkwam? U zult nog even moeten wachten. Binnenkort verschijnt deel III.
Wordt vervolgd...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten